Nieuws

Lezing Walter van der Kooi

10 april 2018

Tijdens de uitreiking van de Zilveren Krulstaarten op 18 maart gaf Walter van der Kooi, recensent van de Groene Amsterdammer er winnaar van de Zilveren Pen 2017, een lezing over de stand van het Nederlands drama. Op veler verzoek publiceren wij hier de volledige tekst.

‘Beste mensen,

Dit is van zichzelf al een aardige comedyscène. Zaal in spanning: wie gaat er winnen? Wanneer begint de borrel? Komt er iemand breeduit staan oreren. En als jullie nou nog Jane Campion of David Simon van The Wire kregen, maar nee … een ouwe Hollandse recensent. Ik heb een prent van Peter Vos voor ogen, getiteld Kritikus. Daarop een opgeblazen kalkoen met zijn rug naar een schilderij. Vos’ tekst erbij: ‘Wie met jargon bekleed… een kunstwerk zoekt te duiden… voor toegestroomde luyden … bekijkt het met zijn reet.’ Zo denkt de kunstenaar of artisan, jullie, dus over mijn soort. Ik kan wel beweren dat helemaal geen recensies erger is en dat er, in verhouding tot het artistiek en maatschappelijk belang van tv-drama, veel te weinig over wordt geschreven; en dat dan weer zelden door specialisten, zoals film- en andere kunstcritici dat zijn.

Maar desondanks is jullie vak in de tijd dat ik het volg verbluffend gegroeid, kwantitatief en kwalitatief. Brava, bravo. En misschien is kritiek dus wel totaal irrelevant. Maar ja, waarom heb ik dan jullie Zilveren Pen gekregen? Zal er toch wel iets goed aan zijn. Een collega van me omschreef ooit de stiel van tv-recensent als ideaal voor wie ziek, zwak en misselijk is. Hij kon het weten, want hij was het: criticus en ziek. Zijn naam: Dennis Potter. Hoezo jouw collega? Onze, zal je bedoelen. Ja, maar voor Potter drama schreef was hij tv-recensent van de socialistische Daily Herald.

En hij had, in tegenstelling tot veel kunstenaars en intellectuelen, geen minachting voor het medium maar er juist hoge verwachtingen van. Wat andere kunsten in hun tempels zelden of nooit lukte – het trekken van een publiek dwars door sociale lagen heen, daarin zou de televisie kunnen slagen. Hij hoopte zelfs op het ontstaan van wat hij een ‘common culture’ noemde, een klassen doorbrekende cultuur van hoog niveau. We kunnen daar honend over doen, maar diezelfde Potter maakte dat later met series als The Singing Detective, waar, het sociaalrealisme ver overstijgend. Toch, ook hij had niet kunnen dromen van de golf van hoogwaardig drama, overwegend series, die ons de laatste decennia uit de VS, Scandinavië, Duitsland, Italië en elders heeft bereikt.

Hoon over Potters droom was en is ook niet terecht in de Nederlandse situatie. Als student won ik een tv-toestel – kostte een kapitaal destijds. Mijn kamer stroomde vol vrienden als Ja zuster, nee zuster werd uitgezonden. Niks dédain voor het medium. Iedereen keek daar trouwens naar, ook latere RTL- of SBS-klanten. En ook die genoten. De beelden zijn gewist, maar de teksten van Annie, de muziek van Harry, ze leven nog – mijn kleinkinderen brulden ze mee. Is dat common culture of niet? Dat de Volkskrant recent een toptien van Nederlandse series vanaf 1990 liet samenstellen was ondenkbaar zonder bloei van het genre. En actueel: De luizenmoeder ging uiteindelijk door de vijf miljoen heen, en dat in tijden van atomisering van de kijkervaring door ontelbare zenders, door Netflix, Viceland en HBO. En in tijden dat in 25 seconden wereldwijd 292.000 uur video wordt geüpload – ‘dat is het mooie van Internet’ zegt een radiospotje van provider XS4all. Daar zijn ze kennelijk krankzinnig geworden. Het succes van De luizenmoeder is uitzonderlijk en licht hype-achtig. Maar het kon en kan: common culture van niveau.

Maar wat is kwaliteit? Studenten vroegen me ooit mijn criteria te expliciteren. Oei. Ik probeerde iets: Fundament is ambachtelijkheid, van script tot casting tot geluid. Vakkunde is grotendeels meetbaar. Dan de vraag of er een «persoonlijke stem» klinkt, waar Potter altijd op hamerde: is het authentiek, «eigen»? Dan: is er een noodzaak voelbaar buiten het vullen van zendtijd en scoren in cijfers? Pathetisch gezegd: makers moeten de kijker overtuigen van hun wil om uitgerekend dit verhaal te vertellen. En natuurlijk vraagt de moralist om «integriteit», een element zo zwaar en licht dat er geen weegschalen voor bestaan. Zo min als voor de liefde waarmee iets is gemaakt. Is de productie plat of gelaagd? Toont die types of wordt iets voelbaar van de weerbarstigheid die elke mens aankleeft in karakter, drijfveren, geschiedenis? Is er ontwikkeling merkbaar in verhaal, gebeurtenissen, dramatis personae? Zijn die personages geloofwaardig? Waarmee ik niet bedoel «realistisch»: goed drama schept een eigen universum waarin ik ga geloven, hoe absurd die wereld ook kan zijn. Tenslotte: word ik geraakt?

Enfin, domineestaal. Onvolledig en veel te veel. Theoretisch en verwarrend want pakweg die Luizenmoeder toont types, maar toch ook de weerbarstigheid van mensen. Met dit checklijstje krijg je geen scenarioletter meer op papier. Bovendien, drama kan hieraan voldoen en toch niet gaan vliegen; terwijl andere producties prachtig kunnen zijn zonder vinkjes op de lijst. Bovendien zijn de criteria te veel gedacht vanuit wat ik maar arthouse-tv noem, die alleen gemaakt kan als drama werkelijk als writers medium wordt gezien, wat niet de regel lijkt. U weet veel beter dan ik met wat voor keurslijf u van doen heeft, binnen en buiten een productie. Nog los van bezuinigingen op de publieke omroep. Ik geef het dus op.

Het was boekenweek. Adriaan van Dis zei bij DWDD dat ‘verplaatsingskunde’ een grote gift is van literatuur. Dat weet elke lezer: hoe zouden we de ander kennen, begrijpen en ons tot op zekere hoogte in haar of hem kunnen inleven zonder boeken? En hoe zouden we onszelf er zonder kunnen begrijpen? Maar verplaatsingskunde kan net zozeer kenmerk zijn van film en tegenwoordig bovenal van tv-drama. Met eindeloos groter bereik. De Groene Amsterdammer gaf essaybundels uit over boeken die ons denken of  onze blik veranderden. Ik ben nieuwsgierig naar de bundel De 20 tv-producties die ons denken, onze blik of (toe maar) ons leven veranderden. Dat mogen ook single plays zijn of Kortjes, het dramatisch equivalent van het zkv. Minder hoogdravend geformuleerd ‘welke producties maakten diepe indruk en waarom’?  Ik zou jullie essays graag lezen als stof voor mijn kijken en denken.

Een voorzet. Franz Werfel schreef Eine blassblaue Frauenschrift. Novelle over een ambtenaar op het Weense Ministerie van Onderwijs. Leraarszoon, carrièremaker, getrouwd met een mooie miljonairsdochter, op weg naar een ministerspost. Het is 1936. Hij krijgt een brief  van een vrouw met wie hij ooit een affaire had. Ze vraagt om hulp voor een getalenteerde jongen, die in Duitsland niet naar het gymnasium mag. Ze hoopt nu in het Oostenrijk van voor de Anschluss een school te vinden. De jongen moet wel joods zijn – zij is dat ook. En hij vermoedt dat het kind wel eens zijn zoon zou kunnen zijn. Die dag moet hij in een steeds rabiater antisemitisch Oostenrijk kiezen tussen aan de ene kant fatsoen en moed, maar met kans op verlies van al wat hij verworven heeft, en, aan de andere kant opportunisme, lafheid en behoud van zijn materieel en immaterieel geluk. Resultaat: hij behoudt welvaart maar weet dat hij zijn ziel heeft verloren. Deze tweedelige Oostenrijkse serie van Axel Corti uit 1984 maakte een verpletterende indruk.

Indringend drama dat me niet alleen vragen deed stellen over deze Leonidas Tachezy, maar vooral ook: wie was ík toen geweest, en wie ben ik? Ik was een bang kind, mede door de oorlog die Werfel zelf tot balling maakte (ik herkende me in de autobiografische tv-film Het verhaal van Kees van scenarist Willem Wilmink), maar ik weet ook dat juist besef van eigen angst en lafheid soms tot enige moed kan leiden. Drama kan aan dat besef bijdragen. Toen ik daarna de novelle zelf las, besefte ik: het drama was nóg beter dan het boek. Die uitspraak zou overal heiligschennis zijn, behalve, hoop ik, hier, omdat juist scenaristen beseffen hoe moeilijk het is drama van literatuur te maken. Te koop voor 13 Euro.

Tweede voorzet: nooit heb ik zo indringend de ontwrichtende gevolgen van economisch verval in een traditioneel industriegebied gezien als in het zevendelige Boys from the Blackstuff van scenarist Alan Bleasdale. Over werkloos geworden asfalteerders en havenarbeiders in Liverpool en hun desintegrerende gemeenschap, in 1980 uitgezonden. Eentje draait totaal door en zegt overal ‘geef me werk’ en ‘I can do that’. Bij een thuiswedstrijd van Liverpool, en dit is geen drama maar echt, werd een corner genomen. Iemand schreeuwde ‘I can do that’ en het stadion lag in een deuk. Want deze serieuze, gelaagde, van sociaal-realisme naar absurdisme springende serie brak kijkrecords. ‘Common culture’. En wat te denken van het belang en bereik van een agrarische geschiedenis als Heimat van Edgar Reitz, die bij ons een echo kreeg in Tijd van leven?

Maar waarom buitenlandse voorbeelden van verplaatsing? Het single play Turkse aarde, Hollandse bodem liet me in 1982 door de ogen van een migrantengezin kijken, dat vanuit het Anatolische dorp belandt in Holland en ik ervoer hun cultuurshock. De One Night Stand Cabo gaf een inkijkje in de Rotterdams-Kaapverdische gemeenschap, gebruiken, moraal, maar oversteeg verre de cultureel-antropologische schets. Juist door de precieze tekening van het specifieke en door de genuanceerde karaktertekening werd het universele zicht- en voelbaar. De maker nam in zijn filmplan het Dardenne-motto ‘film wat je kent, niet meer, niet minder’ op en maakte waar dat juist dan in een druppel de oceaan kan schuilen. In de voor Z@pp gemaakte productie Mimoun zagen we wat we zelden zo indringend te zien kregen: het joch in een ontspoord Marokkaans gezin dat op een tweesprong staat: criminele broer achterna of niet? Het raakte sterker en dieper dan een journalistiek stuk. En in de One Night Stand In vrijheid werden we indringend geconfronteerd met de machteloosheid van de moeder van een Syriëganger. Vier voorbeelden van verplaatskunde op het terrein van de meerculturensamenleving, – er zijn er veel meer te geven.

Ander verplaatsingsterrein is dat van de generaties. Ach, iedereen boven de 30 is zelf jong geweest. Maar wat het nú betekent jong te zijn is zo anders dan in mijn jaren veertig en vijftig – dat zie ik om me heen, maar indringender nog aan drama. Geraakt, geroerd en begripvol werd ik door een Kort! als The Palace over een veertienjarig meisje dat voor het eerst écht uitgaat, sneuvelt en door papa gered moet worden; door de One Night Stand Snacken over twee tienermeiden die volledig displaced belanden op een volwassenenfeest; door de Telefilm Jongens over de ontluikende liefde tussen twee jonge atleten; door pubers in de jeugdgevangenis in Vast; door de groot geworden Daltons; door Maite die een leven voor zich had tot ze kanker kreeg; door Geen koningen in ons bloed, dat verbluffende portret van letterlijk verweesde jongeren; door het Gothic-meisje in Nina Satana; door het trio in Sevilla; door schoonspringster Lieke in Horizon, woedend op het leven; door de boerenjongens in Avondland. Ik ben bang dat ik enorm veel producties en aanwezigen tekort doe, want er is zoveel moois, juist over die leeftijdsgroep, maar waar het me om gaat is dat ze allemaal in hun ernst, diepte en soms gein ook een bejaarde kunnen laten voelen wat het betekent nu jong te zijn. En hoe mooi maar ook hoe complex dat is.

Moet aan alle drama dus een verplaatsingsprográm ten grondslag liggen? Natuurlijk niet. Programma’s in de kunst zijn killing. Maatschappelijke relevantie was destijds in Actiegroep Tomaat een eis aan het theater. Begrijpelijk, gezien de slappe routine van het repertoiretoneel. Maar als pril supporter van het vormingstheater werd ik verpletterd door Bob Wilsons Deafmans Glance en Einstein on the Beach die zich aan geen enkele buitenartistieke eis stoorden. Trouwens, ‘gewoon’ Tsjechov slaat alles, en Anton had geen program, wel een mildscherpe blik, mededogen, humor en genie dat zich niet in een formule laat vangen. Maar misschien moet ik zijn program dan toch maar humanisme noemen. In de allereerste, indrukwekkende LIRA-lezing in 1993 zei de Britse scenarist Alan Plater: ‘schilders tonen ons hoe de wereld eruit ziet, componisten hoe ze klinkt en schrijvers hoe het voelt om mens te zijn.’ Daar houd ik me, hoe vaag en weeïg misschien ook, toch maar aan vast – voorlopig. Theun de Vries schreef in 1943 WA-Man, een roman over de redenen waarom een kruidenierszoon voor de NSB kon kiezen. Dat verwacht je niet van een communistische schrijver, een ingenieur van de ziel: inlevingsvermogen in De Ander en belangstelling voor psychologie. Maar toch probeerde De Vries, zelf in de illegaliteit, die ander te begrijpen en verklaren. Dat vind ik ook de kracht van sommige afleveringen in Van God los. Je gaat begrijpen hoe iemand tot de meest extreme daad komt, zonder die te vergoelijken.

Wellicht valt op dat mijn meeste voorbeelden niet over series gaan. Net als iedereen ben ik er gek op. En in de Volkskrant-canon staat Hollandse waar van internationaal niveau, in uiteenlopende genres. De reeks bevat biopics van Annie en Ramses, die prachtig tijds- en mentaliteitsdocument zijn; een familietragedie; een blijmakend stadsportret in mozaïekvorm; een advocatenserie; een serie voor en over kinderen en twee over pubers (tussen haakjes: van kinderseries en –drama zou eens een canon gemaakt moeten worden: daarin zijn we wereldtop); een waargebeurde oorlogs- en nasleepgeschiedenis;  een vrolijke lief-en-leed-in-welgestelde-kringen-serie; en, tot mijn verbazing, maar één misdaadserie en zelfs niet die van de winnaar van de LIRA-prijs.

En dan miste ik ook nog het koningshuis met respectievelijk Zorreguieta en Den Uyl; de dubbele midlifecrisis in een huisartsgezin; het kostuumdrama over de Bentincks; het Srebrenica-trauma. Maar hoe goed die en andere series ook zijn, en hoe begrijpelijk dat de televisie het vooral van series moet hebben, ik heb altijd het single play, in lengte variërend van drie minuten tot Telefilm, een zeker zo belangrijke dramavorm gevonden. Niet uitsluitend als leerschool voor het grote werk – alsof gedicht, kort verhaal, novelle, korte roman louter opmaat zouden zijn naar de vuistdikke romancyclus. Maar wel nuttig als voorbereiding voor wie serie-ambitie heeft. De serie is een vak apart en de vloek van de topserie die seizoenen achtereen van topniveau blijft (neem The Sopranos) is dat dat dus het nagevolgde model wordt, wat legio series met teveel afleveringen en teveel seizoenen oplevert.

In het spoor van succesvolle Scandinavische series volgden beduidend mindere Scandinavische die van geen ophouden weten en driftig aangekocht worden. Nee, ik doel niet op Borgen. En als ik nou toch ga kritiseren: het aantal politie- en andere misdaadseries loopt de spuigaten uit, waarbinnen soms het geweld dat ook doet. Ik ben puritein en Tarantino is grootmeester maar soms lijkt geweld amusement, een dubieus verslavend ingrediënt, ook in Nederlandse producties die daarmee, volgens anderen, juist volwassen zijn geworden. Vroeger ging de discussie over de vraag of naakt functioneel was (dat debat komt trouwens, begrijpelijk en aangejaagd door MeToo, weer terug); maar ik vraag me vaker af hoe functioneel geweld, wreedheid en sadisme eigenlijk zijn (een discussie die juist ouderwets lijkt).

In een voorgesprek over dit verhaal viel de vraag naar de verantwoordelijkheid van scenaristen, van dramamakers. Daar kan ik moeilijk iets over zeggen, behalve dat die allereerst hun talent en vakkunde, net als de loodgieter en bakker, zo goed mogelijk moeten gebruiken. Maar als ik me dan helemaal belachelijk moet maken verwijs ik naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als fundament. Die schijnen te westers te zijn, maar elke minderheid, alle machtelozen zijn erbij gebaat. Onder bijna alle drama dat ik zie klinkt een humanistische basso continuo, haast onhoorbaar. Maar makers hebben niet in de hand wat er daarna mee gebeurt. Neem voor de laatste keer die Luizenmoeder. Jubel alom na de eerste aflevering. Maar de recensent van het AD en de presentator van DWDD verklaarden het succes uit het bevrijdend karakter. Eindelijk mochten grappen over huidskleur en spleetogen weer. Weg met de politiek-correcte terreur. Volgens mij heb je met deze interpretatie stront in je ogen en/of verraad je jezelf lelijk. De makers aan tafel leken er ongemakkelijk onder. ‘We deden gewoon wat we leuk vonden.’

Op naar de prijzen en de borrel. Maar nog even terug naar die LIRA-lezing van Alan Plater. Hij eindigde met een herinnering aan zijn jeugd: het binnenplaatsje van zijn grootouders, waar familie, vrienden, buren elkaar verhalen vertelden – over werkelijk alles. De toekomst van de wereldtelevisie is dat we elkaar de verhalen van onze binnenplaatsen vertellen en dat we naar elkaar luisteren, zei Plater. Hij verbond er de hoop op begrip en vrede aan. Sentimentele flauwekul, wat u zegt. Kunst heeft de wereld nooit gered en zal dat nooit doen. Charlie Chaplin kon Hitler niet voorkomen. Wie voor 2016 een briljante tv-serie schreef over een Trump-alike, zou nu vaststellen dat de werkelijkheid zijn/haar fantasie nog overtrof. Maar zonder die verhalen van Plater, van u, zou de wereld kaler, beroerder, onbegrijpelijker, minder leuk, mooi en troostend zijn. Tenslotte: ik las stomtoevallig gisteren in een roman van uw collega, toneelschrijfster Yasmina Reza: ‘taal verwoordt slechts de onmogelijkheid om je uit te drukken’. Mijn verhaal is daar bewijs van. U hebt, in drama, gelukkig meer dan taal tot uw beschikking om ons te laten ervaren hoe het voelt mens te zijn.’