Schrijvers vragen aandacht voor auteursrechten

23 april is de Internationale Dag van het Boek en de Auteursrechten. Om de aandacht te vestigen op auteursrechten, rechten die van levensbelang zijn voor álle schrijvers, werd in opdracht van de Auteursbond een filmpje gemaakt met in de hoofdrollen Mano Bouzamour en Franca Treur.

Tijdens een vrolijke fietstocht door Amsterdam ontmoeten ze Kluun, Maria Goos, Isa Hoes en Hanna Bervoets en doen ze een bijzondere ontdekking. ‘Auteursrechten krijg je niet cadeau,’ luidt de clou. Het script van de film, waarin volop wordt verwezen naar hoogtepunten uit de Nederlandse cinema en literatuur, werd geschreven door Karin van der Meer en de regie was in handen van Pieter Bart Korthuis.

Legaal aanbod

Auteursrecht staat wereldwijd onder druk. Door digitalisering, illegale verspreiding van content en onduidelijke regelgeving lopen schrijvers en vertalers inkomen mis. Voor steeds meer auteurs wordt het moeilijker om te leven van hun werk. Als beroepsvereniging lobbyt de Auteursbond voor eerlijke vergoedingen, betere wetgeving en duidelijke afspraken met exploitanten. De Auteursbond roept ook consumenten op om te kiezen voor een legaal aanbod. Vorig jaar verscheen hierover een ander spotje met o.a. Arthur Japin, Jessica Durlacher en Alma Mathijsen.

Wereldboekendag

De Internationale Dag van het Boek en de Auteursrechten, ook bekend als Wereldboekendag, is een evenement dat jaarlijks wordt gehouden door UNESCO ter promotie van het lezen en auteursrechten. 23 april is een symbolische datum in de literaire wereld, want in 1616 stierven op deze dag drie van de grootste schrijvers van hun tijd: Miguel Cervantes, William Shakespeare en Inca Garcilaso de la Vega.

Alternatieve inkomstenbronnen

De dood van de literatuur en het einde van het boek zijn al vaak aangekondigd. Maar ondanks deze sombere voorspellingen constateert de Raad voor Cultuur in zijn advies ‘De daad bij het woord’ dat de wereld van de letteren en bibliotheken springlevend is. Het lezen verandert weliswaar en het aantal boekenlezers neemt voortdurend af, maar er blijft een onuitroeibare behoefte bestaan aan het vertellen, lezen of beluisteren van verhalen.

In zijn advies heeft de raad de belangrijkste ontwikkelingen binnen de letterensector op een rij gezet en geanalyseerd. Kort samengevat: het boekenvak herstelt zich na zeven crisisjaren; de raad ziet nieuwe initiatieven opbloeien in de uitgeverij, de boekhandel, de bibliotheek en op literaire podia; het ‘sociale lezen’ is in opkomst, leesclubs – online en offline – floreren.

Een punt van grote zorg blijft het geringe leesplezier onder jongeren en de dalende leestijd, ook onder jongvolwassenen. Het thuismilieu speelt hierin een bepalende rol. Wie opgroeit in een huis zonder boeken, als kind zelden werd voorgelezen en zijn ouders niet ziet lezen, kan op school en in zijn latere leven steeds moeilijker voor de letteren gewonnen worden.

Voor een gezonde toekomst van de sector is de inbreng van ouders, bevlogen leesambassadeurs in het onderwijs en de bibliotheek, dus van cruciaal belang. De raad constateert dat initiatieven voor leesbevordering op dit moment onvoldoende effectief zijn. Die zouden meer moeten aanhaken bij de cultuur van de niet-lezer. Maak bijvoorbeeld gebruik van games, speel in op populaire fantasy-series als ‘Game of Thrones’ of haak aan bij de spoken word- scene die er wel in slaagt om jonge mensen enthousiast te maken voor de letteren.

Alternatieve inkomstenbronnen

Daarnaast ziet de raad dat auteurs en vertalers steeds moeilijker hun brood kunnen verdienen (in 2014: gemiddeld bruto jaarinkomen 6.500 euro onder modaal). Steeds vaker moeten zij op zoek naar alternatieve inkomstenbronnen, ook buiten het letterenveld. Zij vormen zich bijvoorbeeld om tot literaire performers, geven schrijfcursussen of schrijven jaarverslagen voor een bank of verzekeraar. Literaire festivals hebben helaas vaak onvoldoende middelen om de optredende schrijvers fatsoenlijk te kunnen betalen.

Ook vraagt de raad aandacht voor de afnemende fijnmazigheid van het bibliotheeknetwerk. Bibliotheken hebben moeite zich te handhaven, vooral in dunbevolkte gebieden. De ‘aanrijtijd’ is in veel gemeenten toegenomen. De raad roept gemeenten en provincies op om te zorgen voor een hoogwaardige bibliotheekvoorziening met een palet aan functies op het gebied van onder meer ‘lezen en literatuur’, ‘ontwikkeling en educatie’ en ‘ontmoeting en debat’. Veel bibliotheken missen expertise, personeel en geld om hieraan invulling te geven. Een goed ingerichte bibliotheek is een basisvoorwaarde voor de ontwikkeling en het behoud van geletterdheid.

De raad doet in zijn advies een dringende oproep aan de sector om lezers met uiteenlopende culturele achtergronden aan te spreken. Het is onaanvaardbaar dat een steeds groter deel van de Nederlandse bevolking zich niet kan herkennen in de literaire producten die er in het eigen taalgebied worden gemaakt. Schrijfopleidingen zouden daarom actiever op zoek moeten gaan naar studenten met een cultureel diverse achtergrond, en uitgeverijen zouden hiermee meer rekening moeten houden bij de werving van nieuwe auteurs.

Lees het rapport.

Lezing Walter van der Kooi

Tijdens de uitreiking van de Zilveren Krulstaarten op 18 maart gaf Walter van der Kooi, recensent van de Groene Amsterdammer er winnaar van de Zilveren Pen 2017, een lezing over de stand van het Nederlands drama. Op veler verzoek publiceren wij hier de volledige tekst.

‘Beste mensen,

Dit is van zichzelf al een aardige comedyscène. Zaal in spanning: wie gaat er winnen? Wanneer begint de borrel? Komt er iemand breeduit staan oreren. En als jullie nou nog Jane Campion of David Simon van The Wire kregen, maar nee … een ouwe Hollandse recensent. Ik heb een prent van Peter Vos voor ogen, getiteld Kritikus. Daarop een opgeblazen kalkoen met zijn rug naar een schilderij. Vos’ tekst erbij: ‘Wie met jargon bekleed… een kunstwerk zoekt te duiden… voor toegestroomde luyden … bekijkt het met zijn reet.’ Zo denkt de kunstenaar of artisan, jullie, dus over mijn soort. Ik kan wel beweren dat helemaal geen recensies erger is en dat er, in verhouding tot het artistiek en maatschappelijk belang van tv-drama, veel te weinig over wordt geschreven; en dat dan weer zelden door specialisten, zoals film- en andere kunstcritici dat zijn.

Maar desondanks is jullie vak in de tijd dat ik het volg verbluffend gegroeid, kwantitatief en kwalitatief. Brava, bravo. En misschien is kritiek dus wel totaal irrelevant. Maar ja, waarom heb ik dan jullie Zilveren Pen gekregen? Zal er toch wel iets goed aan zijn. Een collega van me omschreef ooit de stiel van tv-recensent als ideaal voor wie ziek, zwak en misselijk is. Hij kon het weten, want hij was het: criticus en ziek. Zijn naam: Dennis Potter. Hoezo jouw collega? Onze, zal je bedoelen. Ja, maar voor Potter drama schreef was hij tv-recensent van de socialistische Daily Herald.

En hij had, in tegenstelling tot veel kunstenaars en intellectuelen, geen minachting voor het medium maar er juist hoge verwachtingen van. Wat andere kunsten in hun tempels zelden of nooit lukte – het trekken van een publiek dwars door sociale lagen heen, daarin zou de televisie kunnen slagen. Hij hoopte zelfs op het ontstaan van wat hij een ‘common culture’ noemde, een klassen doorbrekende cultuur van hoog niveau. We kunnen daar honend over doen, maar diezelfde Potter maakte dat later met series als The Singing Detective, waar, het sociaalrealisme ver overstijgend. Toch, ook hij had niet kunnen dromen van de golf van hoogwaardig drama, overwegend series, die ons de laatste decennia uit de VS, Scandinavië, Duitsland, Italië en elders heeft bereikt.

Hoon over Potters droom was en is ook niet terecht in de Nederlandse situatie. Als student won ik een tv-toestel – kostte een kapitaal destijds. Mijn kamer stroomde vol vrienden als Ja zuster, nee zuster werd uitgezonden. Niks dédain voor het medium. Iedereen keek daar trouwens naar, ook latere RTL- of SBS-klanten. En ook die genoten. De beelden zijn gewist, maar de teksten van Annie, de muziek van Harry, ze leven nog – mijn kleinkinderen brulden ze mee. Is dat common culture of niet? Dat de Volkskrant recent een toptien van Nederlandse series vanaf 1990 liet samenstellen was ondenkbaar zonder bloei van het genre. En actueel: De luizenmoeder ging uiteindelijk door de vijf miljoen heen, en dat in tijden van atomisering van de kijkervaring door ontelbare zenders, door Netflix, Viceland en HBO. En in tijden dat in 25 seconden wereldwijd 292.000 uur video wordt geüpload – ‘dat is het mooie van Internet’ zegt een radiospotje van provider XS4all. Daar zijn ze kennelijk krankzinnig geworden. Het succes van De luizenmoeder is uitzonderlijk en licht hype-achtig. Maar het kon en kan: common culture van niveau.

Maar wat is kwaliteit? Studenten vroegen me ooit mijn criteria te expliciteren. Oei. Ik probeerde iets: Fundament is ambachtelijkheid, van script tot casting tot geluid. Vakkunde is grotendeels meetbaar. Dan de vraag of er een «persoonlijke stem» klinkt, waar Potter altijd op hamerde: is het authentiek, «eigen»? Dan: is er een noodzaak voelbaar buiten het vullen van zendtijd en scoren in cijfers? Pathetisch gezegd: makers moeten de kijker overtuigen van hun wil om uitgerekend dit verhaal te vertellen. En natuurlijk vraagt de moralist om «integriteit», een element zo zwaar en licht dat er geen weegschalen voor bestaan. Zo min als voor de liefde waarmee iets is gemaakt. Is de productie plat of gelaagd? Toont die types of wordt iets voelbaar van de weerbarstigheid die elke mens aankleeft in karakter, drijfveren, geschiedenis? Is er ontwikkeling merkbaar in verhaal, gebeurtenissen, dramatis personae? Zijn die personages geloofwaardig? Waarmee ik niet bedoel «realistisch»: goed drama schept een eigen universum waarin ik ga geloven, hoe absurd die wereld ook kan zijn. Tenslotte: word ik geraakt?

Enfin, domineestaal. Onvolledig en veel te veel. Theoretisch en verwarrend want pakweg die Luizenmoeder toont types, maar toch ook de weerbarstigheid van mensen. Met dit checklijstje krijg je geen scenarioletter meer op papier. Bovendien, drama kan hieraan voldoen en toch niet gaan vliegen; terwijl andere producties prachtig kunnen zijn zonder vinkjes op de lijst. Bovendien zijn de criteria te veel gedacht vanuit wat ik maar arthouse-tv noem, die alleen gemaakt kan als drama werkelijk als writers medium wordt gezien, wat niet de regel lijkt. U weet veel beter dan ik met wat voor keurslijf u van doen heeft, binnen en buiten een productie. Nog los van bezuinigingen op de publieke omroep. Ik geef het dus op.

Het was boekenweek. Adriaan van Dis zei bij DWDD dat ‘verplaatsingskunde’ een grote gift is van literatuur. Dat weet elke lezer: hoe zouden we de ander kennen, begrijpen en ons tot op zekere hoogte in haar of hem kunnen inleven zonder boeken? En hoe zouden we onszelf er zonder kunnen begrijpen? Maar verplaatsingskunde kan net zozeer kenmerk zijn van film en tegenwoordig bovenal van tv-drama. Met eindeloos groter bereik. De Groene Amsterdammer gaf essaybundels uit over boeken die ons denken of  onze blik veranderden. Ik ben nieuwsgierig naar de bundel De 20 tv-producties die ons denken, onze blik of (toe maar) ons leven veranderden. Dat mogen ook single plays zijn of Kortjes, het dramatisch equivalent van het zkv. Minder hoogdravend geformuleerd ‘welke producties maakten diepe indruk en waarom’?  Ik zou jullie essays graag lezen als stof voor mijn kijken en denken.

Een voorzet. Franz Werfel schreef Eine blassblaue Frauenschrift. Novelle over een ambtenaar op het Weense Ministerie van Onderwijs. Leraarszoon, carrièremaker, getrouwd met een mooie miljonairsdochter, op weg naar een ministerspost. Het is 1936. Hij krijgt een brief  van een vrouw met wie hij ooit een affaire had. Ze vraagt om hulp voor een getalenteerde jongen, die in Duitsland niet naar het gymnasium mag. Ze hoopt nu in het Oostenrijk van voor de Anschluss een school te vinden. De jongen moet wel joods zijn – zij is dat ook. En hij vermoedt dat het kind wel eens zijn zoon zou kunnen zijn. Die dag moet hij in een steeds rabiater antisemitisch Oostenrijk kiezen tussen aan de ene kant fatsoen en moed, maar met kans op verlies van al wat hij verworven heeft, en, aan de andere kant opportunisme, lafheid en behoud van zijn materieel en immaterieel geluk. Resultaat: hij behoudt welvaart maar weet dat hij zijn ziel heeft verloren. Deze tweedelige Oostenrijkse serie van Axel Corti uit 1984 maakte een verpletterende indruk.

Indringend drama dat me niet alleen vragen deed stellen over deze Leonidas Tachezy, maar vooral ook: wie was ík toen geweest, en wie ben ik? Ik was een bang kind, mede door de oorlog die Werfel zelf tot balling maakte (ik herkende me in de autobiografische tv-film Het verhaal van Kees van scenarist Willem Wilmink), maar ik weet ook dat juist besef van eigen angst en lafheid soms tot enige moed kan leiden. Drama kan aan dat besef bijdragen. Toen ik daarna de novelle zelf las, besefte ik: het drama was nóg beter dan het boek. Die uitspraak zou overal heiligschennis zijn, behalve, hoop ik, hier, omdat juist scenaristen beseffen hoe moeilijk het is drama van literatuur te maken. Te koop voor 13 Euro.

Tweede voorzet: nooit heb ik zo indringend de ontwrichtende gevolgen van economisch verval in een traditioneel industriegebied gezien als in het zevendelige Boys from the Blackstuff van scenarist Alan Bleasdale. Over werkloos geworden asfalteerders en havenarbeiders in Liverpool en hun desintegrerende gemeenschap, in 1980 uitgezonden. Eentje draait totaal door en zegt overal ‘geef me werk’ en ‘I can do that’. Bij een thuiswedstrijd van Liverpool, en dit is geen drama maar echt, werd een corner genomen. Iemand schreeuwde ‘I can do that’ en het stadion lag in een deuk. Want deze serieuze, gelaagde, van sociaal-realisme naar absurdisme springende serie brak kijkrecords. ‘Common culture’. En wat te denken van het belang en bereik van een agrarische geschiedenis als Heimat van Edgar Reitz, die bij ons een echo kreeg in Tijd van leven?

Maar waarom buitenlandse voorbeelden van verplaatsing? Het single play Turkse aarde, Hollandse bodem liet me in 1982 door de ogen van een migrantengezin kijken, dat vanuit het Anatolische dorp belandt in Holland en ik ervoer hun cultuurshock. De One Night Stand Cabo gaf een inkijkje in de Rotterdams-Kaapverdische gemeenschap, gebruiken, moraal, maar oversteeg verre de cultureel-antropologische schets. Juist door de precieze tekening van het specifieke en door de genuanceerde karaktertekening werd het universele zicht- en voelbaar. De maker nam in zijn filmplan het Dardenne-motto ‘film wat je kent, niet meer, niet minder’ op en maakte waar dat juist dan in een druppel de oceaan kan schuilen. In de voor Z@pp gemaakte productie Mimoun zagen we wat we zelden zo indringend te zien kregen: het joch in een ontspoord Marokkaans gezin dat op een tweesprong staat: criminele broer achterna of niet? Het raakte sterker en dieper dan een journalistiek stuk. En in de One Night Stand In vrijheid werden we indringend geconfronteerd met de machteloosheid van de moeder van een Syriëganger. Vier voorbeelden van verplaatskunde op het terrein van de meerculturensamenleving, – er zijn er veel meer te geven.

Ander verplaatsingsterrein is dat van de generaties. Ach, iedereen boven de 30 is zelf jong geweest. Maar wat het nú betekent jong te zijn is zo anders dan in mijn jaren veertig en vijftig – dat zie ik om me heen, maar indringender nog aan drama. Geraakt, geroerd en begripvol werd ik door een Kort! als The Palace over een veertienjarig meisje dat voor het eerst écht uitgaat, sneuvelt en door papa gered moet worden; door de One Night Stand Snacken over twee tienermeiden die volledig displaced belanden op een volwassenenfeest; door de Telefilm Jongens over de ontluikende liefde tussen twee jonge atleten; door pubers in de jeugdgevangenis in Vast; door de groot geworden Daltons; door Maite die een leven voor zich had tot ze kanker kreeg; door Geen koningen in ons bloed, dat verbluffende portret van letterlijk verweesde jongeren; door het Gothic-meisje in Nina Satana; door het trio in Sevilla; door schoonspringster Lieke in Horizon, woedend op het leven; door de boerenjongens in Avondland. Ik ben bang dat ik enorm veel producties en aanwezigen tekort doe, want er is zoveel moois, juist over die leeftijdsgroep, maar waar het me om gaat is dat ze allemaal in hun ernst, diepte en soms gein ook een bejaarde kunnen laten voelen wat het betekent nu jong te zijn. En hoe mooi maar ook hoe complex dat is.

Moet aan alle drama dus een verplaatsingsprográm ten grondslag liggen? Natuurlijk niet. Programma’s in de kunst zijn killing. Maatschappelijke relevantie was destijds in Actiegroep Tomaat een eis aan het theater. Begrijpelijk, gezien de slappe routine van het repertoiretoneel. Maar als pril supporter van het vormingstheater werd ik verpletterd door Bob Wilsons Deafmans Glance en Einstein on the Beach die zich aan geen enkele buitenartistieke eis stoorden. Trouwens, ‘gewoon’ Tsjechov slaat alles, en Anton had geen program, wel een mildscherpe blik, mededogen, humor en genie dat zich niet in een formule laat vangen. Maar misschien moet ik zijn program dan toch maar humanisme noemen. In de allereerste, indrukwekkende LIRA-lezing in 1993 zei de Britse scenarist Alan Plater: ‘schilders tonen ons hoe de wereld eruit ziet, componisten hoe ze klinkt en schrijvers hoe het voelt om mens te zijn.’ Daar houd ik me, hoe vaag en weeïg misschien ook, toch maar aan vast – voorlopig. Theun de Vries schreef in 1943 WA-Man, een roman over de redenen waarom een kruidenierszoon voor de NSB kon kiezen. Dat verwacht je niet van een communistische schrijver, een ingenieur van de ziel: inlevingsvermogen in De Ander en belangstelling voor psychologie. Maar toch probeerde De Vries, zelf in de illegaliteit, die ander te begrijpen en verklaren. Dat vind ik ook de kracht van sommige afleveringen in Van God los. Je gaat begrijpen hoe iemand tot de meest extreme daad komt, zonder die te vergoelijken.

Wellicht valt op dat mijn meeste voorbeelden niet over series gaan. Net als iedereen ben ik er gek op. En in de Volkskrant-canon staat Hollandse waar van internationaal niveau, in uiteenlopende genres. De reeks bevat biopics van Annie en Ramses, die prachtig tijds- en mentaliteitsdocument zijn; een familietragedie; een blijmakend stadsportret in mozaïekvorm; een advocatenserie; een serie voor en over kinderen en twee over pubers (tussen haakjes: van kinderseries en –drama zou eens een canon gemaakt moeten worden: daarin zijn we wereldtop); een waargebeurde oorlogs- en nasleepgeschiedenis;  een vrolijke lief-en-leed-in-welgestelde-kringen-serie; en, tot mijn verbazing, maar één misdaadserie en zelfs niet die van de winnaar van de LIRA-prijs.

En dan miste ik ook nog het koningshuis met respectievelijk Zorreguieta en Den Uyl; de dubbele midlifecrisis in een huisartsgezin; het kostuumdrama over de Bentincks; het Srebrenica-trauma. Maar hoe goed die en andere series ook zijn, en hoe begrijpelijk dat de televisie het vooral van series moet hebben, ik heb altijd het single play, in lengte variërend van drie minuten tot Telefilm, een zeker zo belangrijke dramavorm gevonden. Niet uitsluitend als leerschool voor het grote werk – alsof gedicht, kort verhaal, novelle, korte roman louter opmaat zouden zijn naar de vuistdikke romancyclus. Maar wel nuttig als voorbereiding voor wie serie-ambitie heeft. De serie is een vak apart en de vloek van de topserie die seizoenen achtereen van topniveau blijft (neem The Sopranos) is dat dat dus het nagevolgde model wordt, wat legio series met teveel afleveringen en teveel seizoenen oplevert.

In het spoor van succesvolle Scandinavische series volgden beduidend mindere Scandinavische die van geen ophouden weten en driftig aangekocht worden. Nee, ik doel niet op Borgen. En als ik nou toch ga kritiseren: het aantal politie- en andere misdaadseries loopt de spuigaten uit, waarbinnen soms het geweld dat ook doet. Ik ben puritein en Tarantino is grootmeester maar soms lijkt geweld amusement, een dubieus verslavend ingrediënt, ook in Nederlandse producties die daarmee, volgens anderen, juist volwassen zijn geworden. Vroeger ging de discussie over de vraag of naakt functioneel was (dat debat komt trouwens, begrijpelijk en aangejaagd door MeToo, weer terug); maar ik vraag me vaker af hoe functioneel geweld, wreedheid en sadisme eigenlijk zijn (een discussie die juist ouderwets lijkt).

In een voorgesprek over dit verhaal viel de vraag naar de verantwoordelijkheid van scenaristen, van dramamakers. Daar kan ik moeilijk iets over zeggen, behalve dat die allereerst hun talent en vakkunde, net als de loodgieter en bakker, zo goed mogelijk moeten gebruiken. Maar als ik me dan helemaal belachelijk moet maken verwijs ik naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als fundament. Die schijnen te westers te zijn, maar elke minderheid, alle machtelozen zijn erbij gebaat. Onder bijna alle drama dat ik zie klinkt een humanistische basso continuo, haast onhoorbaar. Maar makers hebben niet in de hand wat er daarna mee gebeurt. Neem voor de laatste keer die Luizenmoeder. Jubel alom na de eerste aflevering. Maar de recensent van het AD en de presentator van DWDD verklaarden het succes uit het bevrijdend karakter. Eindelijk mochten grappen over huidskleur en spleetogen weer. Weg met de politiek-correcte terreur. Volgens mij heb je met deze interpretatie stront in je ogen en/of verraad je jezelf lelijk. De makers aan tafel leken er ongemakkelijk onder. ‘We deden gewoon wat we leuk vonden.’

Op naar de prijzen en de borrel. Maar nog even terug naar die LIRA-lezing van Alan Plater. Hij eindigde met een herinnering aan zijn jeugd: het binnenplaatsje van zijn grootouders, waar familie, vrienden, buren elkaar verhalen vertelden – over werkelijk alles. De toekomst van de wereldtelevisie is dat we elkaar de verhalen van onze binnenplaatsen vertellen en dat we naar elkaar luisteren, zei Plater. Hij verbond er de hoop op begrip en vrede aan. Sentimentele flauwekul, wat u zegt. Kunst heeft de wereld nooit gered en zal dat nooit doen. Charlie Chaplin kon Hitler niet voorkomen. Wie voor 2016 een briljante tv-serie schreef over een Trump-alike, zou nu vaststellen dat de werkelijkheid zijn/haar fantasie nog overtrof. Maar zonder die verhalen van Plater, van u, zou de wereld kaler, beroerder, onbegrijpelijker, minder leuk, mooi en troostend zijn. Tenslotte: ik las stomtoevallig gisteren in een roman van uw collega, toneelschrijfster Yasmina Reza: ‘taal verwoordt slechts de onmogelijkheid om je uit te drukken’. Mijn verhaal is daar bewijs van. U hebt, in drama, gelukkig meer dan taal tot uw beschikking om ons te laten ervaren hoe het voelt mens te zijn.’

Stuur jouw stuk in voor Toneelschrijfprijs 20180

Nieuwe toneelteksten, die in het seizoen 2017-2018 (tussen 1 juli 2017 en 1 juli 2018) in première zijn gegaan, kunt worden ingezonden voor de Toneelschrijfprijs 2018.

De Taalunie Toneelschrijfprijs heet vanaf 2018 – kort en krachtig – de Toneelschrijfprijs. Deze prijs heeft als doel de Nederlandstalige toneelschrijfkunst en de opvoering van Nederlandstalig toneelwerk te stimuleren. De prijs bedraagt 10.000 euro en wordt uitgereikt aan de auteur van een oorspronkelijk Nederlandstalig toneelwerk. Kinder- en jeugdtheater zijn nadrukkelijk inbegrepen. De prijs geeft een auteur de kans om zijn of haar schrijverschap verder te ontwikkelen.

Vanaf dit jaar zetten naast de Taalunie ook het Fonds Podiumkunsten / Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) hun schouders onder dit initiatief. Het VFL en het Fonds Podiumkunsten/Nederlands Letterenfonds staan in voor de praktische organisatie. De Taalunie blijft een financierende rol spelen. Deze verschuiving past in het kader van de intensievere samenwerking tussen deze partners voor de promotie van de Nederlandstalige literatuur en toneelschrijfkunst binnen het volledige taalgebied.

Lees meer >

Dankjewel Janne, welkom Marloes

Na ruim 12 jaar heeft Janne Rijkers besloten dat de tijd rijp is voor een nieuwe uitdaging en gaat zij werken in het hart van de democratie voor de Tweede Kamer. Op 8 maart hebben we op informele wijze Janne uitgezwaaid. In Café Eik en Linde kreeg Janne veel lof toegezwaaid van Maria Vlaar, Annemarie van Toorn, Jan Boerstoel en René Appel. Martine Woudt, Elly Schippers en Jeroen Thijssen vertolkten een speciaal voor de gelegenheid geschreven lied. We namen niet alleen afscheid van een zeer gewaardeerde collega, maar ook een beetje van de Vereniging van Letterkundigen. We bedanken Janne voor haar grote inzet voor de vereniging.

Janne wordt opgevolgd door twee nieuwe medewerkers. Marloes van Rossum is per 1 maart 2018 in dienst getreden als juridisch medewerker. Marloes heeft brede ervaring als contractjurist en zal zich onder meer bezig houden met contractadvies aan leden van de Auteursbond. Marloes is bereikbaar bij de Auteursbond op maandag, woensdag en donderdag.

Met ingang van 1 juni 2018 komt Iris Roelands de Auteursbond versterken als juridisch beleidsmedewerker. Iris is gespecialiseerd in auteursrecht en heeft haar sporen verdiend in de audiovisuele sector. In de nieuwsbrief van mei stellen we Iris aan u voor.

De ‘literaire dossiers’ heeft Janne overgedragen aan Annemarie van Toorn.

Annemarie werkt op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag.

BRAM FISCHER, HENDRIK GROEN en JUNGLE winnen scenarioprijzen

Zondagmiddag zijn in VondelCS de Zilveren Krulstaarten uitgereikt, de Nederlandse vakprijzen voor scenarioschrijvers. Bram Fischer , geschreven door Jean van de Velde, won de prijs voor beste film. Martin van Waardenberg werd bekroond met de prijs voor Beste televisieserie voor Het geheime dagboek van Hendrik Groen. Ashar Medina was de winnaar in de categorie beste Korte film voor Jungle. De winnaars van de Zilveren Krulstaarten worden gekozen door de leden van het Netwerk Scenarioschrijvers.

Bram Fischer vertelt het waargebeurde verhaal van de Zuid-Afrikaanse advocaat die de strijd van het ANC tegen het apartheidsregime ondersteunde. Jean van de Velde voelde zich “ontzettend vereerd. Ik ben net zo trots als de eerste keer dat je iets op het scherm terugziet dat je zelf hebt geschreven.”

Het geheime dagboek van Hendrik Groen is een bewerking van de bestseller Pogingen iets van het leven te maken van Hendrik Groen, waarin de auteur op komische wijze het dagelijkse leven in een verzorgingstehuis becommentarieert. “Scenaristen zijn vaak de eenzame mannen en vrouwen die in zolderkamertjes naar een leeg vel papier staren,” zei Van Waardenberg. “Mooi dat daar ook een prijs voor is.”

Jungle gaat over de vriendschap tussen twee Syrische vluchtelingen in het meedogenloze vluchtelingenkamp in Calais. Ashar Medina bedankte zijn regisseur en producent die hem “het vertrouwen gaven om direct na de Filmacademie iets groots te maken.”

Gouden en Zilveren Pen

Naast de Zilveren Krulstaarten werden op de feestelijke middag in VondelCS ook de Gouden Pen en de Zilveren Pen uitgereikt. De Gouden Pen is bestemd voor de schrijver van de Best bezochte film van het voorgaande jaar. Deze prijs ging naar scenarist Richard Kemper voor de komedie Huisvrouwen bestaan niet. Kemper, die voornamelijk bekend is als cabaretier, zei dat dit een goede motivatie voor hem is om door te gaan als scenarist

.De Zilveren Pen wordt jaarlijks door het Netwerk Scenarioschrijvers toegekend aan een persoon of instelling die zich op een bijzondere manier heeft onderscheiden in het zichtbaar maken van scenarioschrijvers. Dit jaar ging deze prijs naar de website Afdeling Filmzaken, die filmnieuws en filmbeleid kritisch volgt. Pieter Bart Korthuis, voorzitter van het Netwerk Scenarioschrijvers, sprak van ‘een gewaardeerde luis in de pels.’

Oprichter en eindredacteur Esmé Lammers nam de prijs in ontvangst. “Ik ben enorm geroerd,” reageerde ze. “We zijn een jaar geleden begonnen met de site met weinig verwachtingen, maar blijkbaar realiseren mensen zich hoe belangrijk de randvoorwaarden zijn om te functioneren als filmmakers.”

Foto’s: Inigo Garayo

Genomineerden Zilveren Krulstaarten bekend gemaakt

Vandaag zijn de nominaties bekend gemaakt voor de Zilveren Krulstaarten, de Nederlandse vakprijs voor scenarioschrijvers. De Zilveren Krulstaarten worden toegekend in de categorieën beste film, tv-serie en korte film. De genomineerden en de winnaars worden gekozen door de leden van het Netwerk Scenarioschrijvers, de beroepsvereniging van schrijvers van films en series. In aanmerking komen films en series die in 2017 in première zijn gegaan of voor het eerst op televisie zijn vertoond.

Film

  • Bram Fischer , scenario Jean van de Velde i.s.m. Matt Harvey en Dominic Morgan
  • Brimstone, scenario Martin Koolhoven
  • Quality Time, scenario Daan Bakker

Televisieserie

  • Het geheime dagboek van Hendrik Groen, scenario Martin van Waardenberg naar het boek Pogingen iets van het leven te maken van Hendrik Groen
  • Klem, scenario Frank Ketelaar en Robert Kievit
  • TreurTeevee, scenario Jan-Paul Buijs, Ellen Parren, Peter van Rooijen en Thomas Spijkerman

Korte film

  • De dag dat mijn huis viel, scenario Don Duyns en Thessa Meijer gebaseerd op een verhaal van Joeri Heegstra
  • Jungle, scenario Ashar Medina
  • Polska Warrior, scenario Christa de Graaf, Pepijn Moors en Camiel Schouwenaar

De winnaars worden bekend gemaakt op 18 maart a.s. in VondelCS. Op deze middag wordt ook de Gouden Pen uitgereikt aan de schrijvers van de best bezochte film van 2017. De Zilveren Pen wordt jaarlijks uitgereikt aan een persoon of organisatie die op een bijzondere manier het vak scenarioschrijven onder de aandacht brengt.

De Zilveren Krulstaart begon in 2001 als een geuzenprijs, om meer erkenning te geven aan scenarioschrijvers van televisiedrama. Inmiddels is de onderscheiding uitgegroeid tot een prestigieuze prijs in de film- en televisiesector.

www.zilverenkrulstaart.nl

‘Forse maatregelen nodig voor versterking Nederlandse audiovisuele sector’

Een systeem met heffingen en quota, een overkoepelend AV Fonds en één herkenbaar ondemand-platform. Daarmee zal de Nederlandse audiovisuele sector beter kunnen meekomen in de ongekende dynamiek die de komst van (media)bedrijven zoals Netflix, Google, Facebook, Apple en Amazon heeft veroorzaakt. Dit soort buitenlandse bedrijven moet mee-investeren in Nederlandse culturele audiovisuele producties.

Deze maatregelen adviseert de Raad voor Cultuur in het rapport ‘Zicht op zo veel meer’ dat vandaag wordt aangeboden aan de ministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hun voorgangers hadden de raad verzocht om in kaart te brengen hoe pluriforme en kwalitatief hoogstaande Nederlandse culturele audiovisuele producties binnen het veranderende medialandschap kunnen worden gestimuleerd. Een tweede verzoek was om aan te geven wat er nodig is om te zorgen dat deze producties toegankelijk blijven voor een (inter)nationaal publiek.

Belangrijk maar onder grote druk

De raad stelt dat de Nederlandse audiovisuele sector het creatieve klimaat in ons land inhoud geeft en een veelzijdig aanbod levert van kwalitatief hoogwaardige speelfilms, dramaproducties en documentaires. Het advies schetst een economisch belangrijke sector die bijdraagt aan de verspreiding van publieke waarden in ons land. De sector speelt een cruciale rol in de onafhankelijke nieuwsvoorziening en zorgt ervoor dat mensen in contact komen met uiteenlopende kunst- en cultuuruitingen.

Ons mediagebruik en het medialandschap, constateert de raad, zijn in korte tijd sterk veranderd. Hierdoor is de sector onder grote druk komen te staan. Buitenlandse, met name Amerikaanse, aanbieders weten steeds meer kijkers en kijktijd aan zich te binden met voornamelijk internationale producties. Daardoor stroomt Nederlands (advertentie)geld steeds meer naar deze aanbieders en minder naar nationale media en makers.

Er is sprake van een ‘winner takes all’-markt, waardoor de Nederlandse film- en tv-industrie het steeds lastiger krijgt om voldoende kwaliteit te leveren en zijn marktaandeel te behouden. Daarmee komt ook de verspreiding van Nederlandse culturele en publieke waarden onder druk. De raad constateert dat beleid en wetgeving nog achterlopen op deze ontwikkelingen. Hij doet, na een uitgebreide consultatie van de audiovisuele sector, aanbevelingen om het bestel toekomstbestendig te maken.

Mediawijsheid

De ‘betonvloer’ hiervoor wordt gestort in het onderwijs, met mediawijsheid en filmeducatie. De raad steunt de voornemens van dit kabinet om mediawijsheid op te nemen in het kerncurriculum van zowel het basis- als voortgezet onderwijs. Hij pleit voor filmeducatie-hubs per regio en voor vrijstelling van btw voor filmvertoningen in het onderwijs.

Kwaliteit

Daarnaast is er een stevige financiële impuls nodig om de kwaliteit van Nederlandse culturele audiovisuele producties te verbeteren. Zonder een kwalitatief goed product kan de sector zich niet staande houden in het internationale aanbod. De raad stelt voor om het huidige Filmfonds, onder begeleiding van de Rijksoverheid en in nauwe samenwerking met de sector, om te vormen tot één breed audiovisueel fonds dat met selectieve en automatische regelingen de kwaliteit, productie en promotie van Nederlandse audiovisuele producties stimuleert.

Toegankelijkheid

De raad geeft in zijn advies ook aan hoe Nederlands audiovisueel aanbod vindbaar en herkenbaar kan blijven in de steeds overweldigender hoeveelheid bewegend beeld. Daarbij speelt de Nederlandse Publieke Omroep een cruciale rol. Die moet platformonafhankelijk beleid ontwikkelen en daarbij meer samenwerken met al dan niet commerciële, (internationale) online distributieplatforms. De toegankelijkheid van Nederlandse audiovisuele content wordt volgens de raad vergroot als commerciële en publieke omroepen gezamenlijk verder werken aan de ontwikkeling van één hoogwaardig ondemandkanaal, zoals NLZIET. Ook stelt de raad voor om met video on demand-aanbieders, bioscopen en filmtheaters quota af te spreken voor de vertoning van Nederlandse audiovisuele producties.

Heffingen

De raad bepleit een ‘circulair’ financieringssysteem voor de sector. De opbrengsten van in Nederland vertoonde audiovisuele content, zoals films en series, komen vooral terecht bij eindexploitanten. In navolging van andere landen adviseert de raad daarom heffingen in te voeren op de exploitatie van mediaproducties die in ons land te zien zijn; via verkoop, verhuur en abonnementen, kabelaansluitingen, bioscopen en advertentieomzetten van platforms met av-content. De financiering van het audiovisuele fonds kan gedeeltelijk uit deze heffingen komen. De raad denkt aan een heffing van 2 tot 5 procent van de omzet.

Lees hier het advies

Hans van Hechten over zijn tijd als bestuurder

Vanaf 1989 tot eind 2017 is Hans van Hechten bestuurlijk actief geweest bij wat indertijd de VvL heette, nu de Auteursbond. Met zijn vertrek uit het bestuur van het Sociaal Fonds Letterkundigen komt het einde aan deze lange, productieve periode. We vroegen Hans wat van zijn herinneringen op papier te zetten.

Hoe is dat allemaal begonnen?

In 1987 volgde ik een cursus scenarioschrijven op uitnodiging van de NOS. Ik had wat hoorspelen geschreven en op basis daarvan werd ik geacht me ook te bekwamen in het schrijven van scenario voor TV. De cursus werd gegeven door Hugo Heinen en Rutger Jan Achterberg. Hugo kende ik nog vanuit mijn studententijd. We waren toen allebei actief op toneelgebied. Het was bijzonder elkaar weer op deze wijze te ontmoeten en dit werd, zoals gebruikelijk in die tijd, rijkelijk gevierd met jenever en diepe gesprekken.

In die cursus raakte ik ook bevriend met een jonge schrijver Ad de Buck, die helaas op vroege leeftijd overleed, geveld door het aidsvirus. Samen met hem heb ik nog wel een poging gedaan om een opzet te maken voor een TV-serie. Het zou een parodie worden op de gezondheidszorg onder de titel ‘In vertrouwde handen’. De omroep aan wie wij het prachtige idee aanboden, zag er niets in. Ook later heeft het tussen mij en TV nooit echt geklikt. Wel heb ik dierbare herinneringen aan de samenwerking met Ad.

En niet te vergeten, de vriendschap met Hugo heeft verstrekkende gevolgen gehad.

Hij raadde me aan lid te worden van de VvL. Ik was toen begin veertig, toch al niet heel erg jong meer, maar toen wij de vergaderzaal in het Carlton betraden, zag ik alleen maar veel oudere en grijze schrijvers. Hugo fluisterde mij later in: “Toen jij die zaal binnenkwam, daalde de gemiddelde leeftijd met enorme sprongen.”

Dat was mijn introductie bij de VvL.

Werkgroep Dramaschrijvers

Er bestond in die tijd een werkgroep Dramaschrijvers. Ik bezocht een van de vergaderingen die toen voorgezeten werd door Jan Boerstoel. Eén bezoek was kennelijk genoeg voor Jan om mij uit te nodigen tot het bestuur van de werkgroep toe te treden. Ik kan mij niet herinneren dat ik iets gezegd heb bij die vergadering, maar kennelijk zag Jan iets in mij. Hoe dan ook, ik werd bestuurslid en na nog geen half jaar vroeg Jan mij om voorzitter te worden in zijn plaats. Dat was wel heel snel, maar toch, ik vond het eervol en begon vol enthousiasme. Het was wel een bijzonder plezierig bestuur, bestaande uit Ger Beukenkamp, Per Justesen, Karlijn Stoffels en later Hetty Heyting. Ger introduceerde mij al snel bij toneelgroep Toetssteen en ik heb daar vele mooie stukken mogen schrijven en regisseren. Ook met Karlijn heb ik nog steeds contact.

Ik kan mij herinneren dat ik soms niet goed wist hoe ik op allerlei vragen van de werkgroepleden moest antwoorden. Ik herinner me nog een vraag van een toneelschrijver waar ik geen raad mee wist. Die vraag luidde: “Hoe kan ik verbieden dat mijn toneelstuk gespeeld wordt?”  Gelukkig was Mette Meijer bij die vergadering aanwezig en die maakte duidelijk dat auteursrecht een verbodsrecht is. Weer wat geleerd!

In die tijd organiseerden wij een soort monsterproductie: De Nacht van het Hoogste Woord. Alle toneelschrijvers in Nederland werden uitgenodigd om gezamenlijk een toneelstuk te schrijven. Met de belofte dat het ook daadwerkelijk gespeeld zou worden. Een ambitieus plan. We hadden een jongeman aangesteld om dit allemaal te organiseren. Op een bepaald moment dreigde het hele project te stranden. De jongeman wilde geld zien en dreigde met een proces. Gelukkig heeft Hugo Verdaasdonk, toen voorzitter van de VvL, dit allemaal weten te keren. En tenslotte is dit gigantische toneelstuk toch gespeeld gedurende een hele nacht in Arnhem, onder de bezielende leiding van Agaath Witteman.

Maar er doemde nog een ander probleem op. Jan had mij niet voor niets voorzitter gemaakt. Er was in die tijd grote ontevredenheid over de manier waarop TV-scenarioschrijvers door de omroepen behandeld werden. Er bestonden zelfs geen aparte contracten. Je kreeg een velletje papier, een uitnodiging met een aanhangsel, de zogenaamde Algemene Bepalingen. Daar stond onder andere in dat je je instrument mee moest nemen naar de repetitie. Handig voor schrijvers.

Er waren al onderhandelingen met de omroepen, het zogenaamde HOCO-overleg. Daar waren wel juristen bij betrokken, ook van de schrijverskant (Rob du Bois, met wie ik later nog veel persoonlijk contact heb gehad, hij woonde bij mij in de buurt, maar is inmiddels overleden), maar die onderhandelingen waren buitengewoon moeizaam. Van omroepzijde was de onderhandelaar ene Bauke (Geertsen?). Deze Bauke werd alom gevreesd, zegde altijd vlak voor de bijeenkomsten af, zodat we hem nooit te zien kregen, en als er besluiten genomen waren, werden die door hem weer teruggedraaid. Een beschamende situatie, vind ik nog steeds. Wel werd ik geacht te overleggen met een van Bauke’s medewerkers, de heer Rolloos, die zijn naam eer aan deed. Wij bereidden samen de vergaderingen voor onder het genot van een gebakje in een lunchroom aan het Rokin, maar zoals gezegd het leidde tot helemaal niets.

De scenarioschrijvers waren terecht boos. Er werd een bijeenkomst georganiseerd, ook weer in dat chique Carltonhotel met sprekers als Aad Nuis en ongetwijfeld ook Kees Holierhoek. Ik heb die vergadering voorgezeten, inwendig wanhopig, want zelf geen TV-schrijver. Hoe moest ik dit allemaal in goede banen leiden? Wat een klus.

Die gesprekken met HOCO hebben geduurd tot 1994 voor zover ik kan nagaan. Uiteindelijk is er wel een standaardcontract tot stand gekomen, maar ook dat is na enkele jaren weer door de omroepen eenzijdig de nek omgedraaid. Een droevig verhaal.

Het Netwerk

In 1994 werd het Netwerk Scenarioschrijvers opgericht. Daarmee verdween ook de Werkgroep Dramaschrijvers. Ik nam zitting in het oprichtingsbestuur onder voorzitterschap van Willem Capteyn. Ik zou me in dit bestuur voornamelijk bezig houden met het hoorspel. We hebben zelfs op een bepaald moment besloten een actie voor behoud van het hoorspel op touw te zetten (1996). De politiek bleek weinig geïnteresseerd, alleen het CDA toonde belangstelling in de persoon van Maxime Verhagen. We hadden een plezierig gesprek met hem, maar dit heeft niet kunnen verhinderen dat het hoorspel nu vrijwel geheel verdwenen is.

Nieuw voor mij was dat dit bestuur nu ook werkgever werd. We moesten functioneringsgesprekken houden met de medewerkers, en vooral die met Lucette Bronk verliepen soms moeizaam. Ook bij haar aanstelling werden we geconfronteerd met lastige zaken. Lucette vertrok na een paar jaar, maar ook met haar opvolgster was het eveneens soms lastig onderhandelen.

VvL

Om het contact met de VvL te onderhouden werd ik afgevaardigd naar het VvL-bestuur. Daar heb ik een aantal jaren deel van uitgemaakt. Voorzitters kwamen en gingen: Alex Rijnders, de man met de pijp, Toine Duijckx korte tijd, Graa Boomsma die na een conflict met de vertalers vertrok en tenslotte Marijke Spies. Ik vond haar een verademing, de beste voorzitter die ik ooit heb meegemaakt. Samen met Wim Jurg heeft ze de VvL weer uit het slop gehaald. Merkwaardig genoeg voelde ik me in het literaire milieu van de VvL wat meer op mijn plaats dan tussen de scenarioschrijvers van het Netwerk. Samen met Thomas Verbogt organiseerde ik symposia voor toneelschrijvers. Tijdens het eerste symposium, in een bovenzaaltje van Eik en Linde, werd het plan geboren voor een standaardcontract ten behoeve van toneelauteurs. Samen met Kees Holierhoek en Thomas voerden we gesprekken met VNT in de periode 199-2002 en die hebben inderdaad geleid tot een nieuw te gebruiken standaardcontract.

In die periode hebben Thomas en ik een folder samengesteld met zakelijke informatie voor alle schrijvers binnen het theater. Het werd heel mooi vormgegeven door Suzan Beijer.

In 2003 ben ik vertrokken uit het VvL-bestuur. Marijke Spies gaf mij als afscheidscadeau de opdracht een jury samen te stellen voor de toneelprijs van het Charlotte Köhlerfonds. Samen met recensente Marian Buijs en dramaturg Ruud Engelander hebben wij met veel plezier het repertoire van het recente Nederlandse toneel doorgespit en tenslotte de prijs uitgereikt aan Rob de Graaf.

Werkgroep Theater

Een officiële werkgroep voor theater bestond nog steeds niet. In 2007 heb ik deze opgericht samen met Nirav Christophe. Later kwamen Sophie Kassies en Tom Sijtsma daar bij.  De Werkgroep Theater was een feit.

We organiseerden interessante symposia en de werkgroep is geworden tot een actief en zinvol onderdeel van de VvL, nu Auteursbond.

In 2012 ben ik opgestapt als voorzitter, omdat ik vond dat de werkgroep wel weer een nieuwe impuls kon gebruiken. Mijn opvolger Don Duijns heeft dat voortreffelijk gedaan.

Sociaal Fonds

Intussen werd ik gevraagd om bestuurslid te worden van het Sociaal Fonds Letterkundigen. Samen met Peter Smit in 2008 waren wij de nieuwe bestuursleden, toegevoegd aan de al zittenden  Else Flim, Bert Hollink en Hans van de Heuvel. Ik heb het mooi en interessant werk gevonden, niet in de laatste plaats omdat je met dit fonds zoveel schrijvers in nood kunt helpen. Soms was het lastig een beslissing te nemen, maar we kwamen er altijd uit.

Heel blij was ik met de nieuwe voorzitter Aad Kok. Er ging een andere wind waaien, vooruitstrevend en zakelijk. In het laatste jaar zijn er mooie ontwikkelingen geweest door de brainstormsessies die wij met Auteursbond en LIRA gehouden hebben.

Nu het zo goed ging met het Fonds vond ik de tijd rijp om mij terug te trekken. De belangrijkste reden  hiertoe is evenwel dat ik vond lang genoeg bestuurlijk werk te hebben verricht binnen VvL en Auteursbond. Het houdt een keer op.

Maar met dankbaarheid kijk ik terug.

Hans van Hechten