De reis van het script

De reis van het script

Dit jaar staat de Dag van het Scenario in het teken van de scenarioschrijver en het buitenland. Wat kunnen scenarioschrijvers bijdragen aan het succes van Nederlands films in het buitenland? Wat heeft een verhaal nodig om de wereld rond te gaan? Onder leiding van presentator Paul Ruven werpen verschillende sprekers hun licht op de zaak.

Houden wij van ons publiek?

Gareth Jones (UK), scenarioschrijver en regisseur, stelt dat Nederlandse films kans maken om succes te hebben in het buitenland mits ze specifiek genoeg zijn. Maar onze thuismarkt heeft een voorkeur voor films die minder geschikt zijn om over de grens te gaan. En wat is daar eigenlijk mis mee? Is het niet voldoende om succes te hebben op eigen bodem? Jones haalt Nigeria aan, dat in output te vergelijken is met Hollywood en Bollywood. Alleen weet niemand dat, omdat de films ‘slechts’ in West-Afrika te zien zijn.

Aan de basis ligt de vraag wie we zijn als schrijver en hoe we werken, vindt Jones. Ons werk is enerzijds rationeel, intellectueel en gericht op structuur. Anderzijds putten we uit onze intuïtie, onze schaduwzijde waar gevaar en risico verborgen liggen. Laat de verbeelding tot leven komen en de structuur volgt, aldus Jones.

Maar de schrijver is ook een publieke figuur, hij moet in staat zijn om te communiceren. De diversiteit in Europa en de verschillende talen die er worden gesproken ziet Jones niet als het probleem maar juist als kracht. Ondertiteling werkt prima. Kijk naar Aziatische en Koreaanse films, die weten ook een groot publiek te trekken buiten het eigen taalgebied. Nee, onze zwakte is niet de taal en culturele diversiteit maar dat wij ons te weinig aantrekken van genre.

Wij houden van ons werk, maar houden wij ook van ons publiek?, vraagt Jones. Het is een lastige maar noodzakelijke balans, die tussen het schrijven van het script en het zicht blijven houden op de kijker. Een delicaat samenspel tussen het bewuste en onbewuste. Jones pleit ervoor dat we genre niet als vijand maar als vriend beschouwen. Er bestaat niet zoiets als een onbevlekte, puur originele film. Ook al zouden wij ons als schrijver niets aantrekken van genre, ons publiek weet al bij de eerste scènes om welk genre het gaat of zal proberen de film in een genre te plaatsen. Het is een niet te negeren aspect van onze cinematografische traditie, niet bedacht in Amerika maar in Europa – op de Western na. Dat wordt wel eens vergeten door Europese filmmakers.

Kwaliteitsfilms voor eigen bodem

Paul Ruven kan het niet nalaten om een duit in het zakje te doen. Gisteren werd ik nog beschimpt toen ik het over genre had, zegt hij. Maar nu blijkt er misschien toch iets van waar te zijn. Hij geeft het woord aan Ate de Jong, commercieel intendant Filmfonds. De Jong begint zijn betoog met een fragment uit de film ALL MEN ARE MORTAL, een Engels Frans Nederlandse co-productie uit 1993. Zijn we sindsdien internationaal verder gekomen? Hierover kan De Jong kort zijn. Nee. Nederlandse films bestaan eigenlijk niet in het buitenland. Hij geeft twee mogelijke trajecten voor filmmakers die de grens over willen: als je op buitenlandse festivals wil zul je nog meer pure auteursfilms moeten maken. Als je in het buitenland breder uitgebracht wil worden, gaat een heel ander krachtenveld spelen.

THE DISCOVERY OF HEAVEN werd gespeeld door Engelse acteurs en is in vijftien landen uitgebracht. Met Nederlandse acteurs zou de film een stuk minder succesvol zijn geweest. Maar achter taal ligt cultuur, en het belang daarvan moet niet worden onderschat. Men is niet geïnteresseerd in de Nederlandse cultuur. Bij de vertaling van een film gaat het niet alleen om de dialogen, maar ook om de vertaling van de cultuur. Je hebt dus een vertaler nodig die de cultuur van het andere land kent. Ook De Jong noemt genre een issue. Hij stelt dat andere landen een buitenlandse film accepteren als die verpakt is in een duidelijk genre.

Kan een Nederlandse schrijver die niet in het buitenland woont scenario’s schrijven die voor dat land interessant zijn? Nee, stelt De Jong, die zelf jaren in Hollywood woonde. Als je dat wil, moet je er wonen of tot die cultuur behoren. En laat er geen misverstand over bestaan: er bestaat niet zoiets als Europese cultuur. Zo zijn de films van de Spaanse regisseur Almodovar kwaliteitsfilms gemaakt voor het eigen land.

Dan Amerika, hoe gaat het daar aan toe? Ze weten niet wie Magritte is en dat willen ze ook niet weten, zegt De Jong. Als je op je Europese achtergrond wil steunen maak je cult en cult verkoopt niet. Een scenarist of regisseur in Hollywood is geen auteur, je bent in dienst van een doel en moet accepteren dat je producent je film net zo makkelijk helemaal hermonteert. In feite zoals bij WIT LICHT / THE SILENT ARMY is gebeurd.

Samenvattend stelt De Jong dat als je met jouw film in het buitenland gezien wil worden, je de meeste kans maakt met kwaliteitsfilms, zoals KARAKTER, SIMON, ANTONIA. Ook haalt hij Orson Welles aan: blijf bij je wortels. Nooit naar het buitenland gaan, tenzij je wordt uitgenodigd.

Moet het filmfonds kleine, artistieke films steunen?, is een vraag uit de zaal. Als er minder dan 10.000 bezoekers heen gaan zou er een budgetplafond moeten komen, vindt De Jong. Anders is het maatschappelijk niet te verantwoorden. En hoe weet je dat van tevoren? vraagt iemand anders. Dat weet je als je het script leest, zegt De Jong beslist.

Monteren in de avonduren

Dat je ook via de minder geëigende paden internationaal succes kunt hebben, bewijzen de jonge filmmakers Bart Juttman en Jan-Willem Ewijk. Juttman vertelt hoe hij direct na de filmacademie zijn eerste speelfilm mocht schrijven, THE SEVEN OF DARAN. De film werd gemaakt en won prijzen op festivals. Ook de dvd verkoop loopt goed. Maar omdat de film buiten de fondsen om, dankzij een privéfinancier, gerealiseerd werd, viel Juttman in een leegte in plaats van in het vangnet van de fondsen. Hij werd verkeersteller, avondportier en webredacteur. Een bijbaantje in de farmaceutische industrie bracht hem op het idee voor zijn nieuwe script. Momenteel volgt hij een Masters op de Filmacademie. En is hij naar eigen zeggen terug bij waar het allemaal begon.

Toen Jan-Willem Ewijk, voorheen vliegtuigbouwer in Kansas en investment banker in Londen, zijn scenario NU aan mensen uit de filmwereld liet lezen, kreeg hij het dringende advies om iets anders te gaan doen. Toch wist hij de film gedraaid te krijgen in veertig draaidagen in drie landen en gesproken in vier talen. Zijn Servische editor werd overspannen van het spotten en Ewijk monteerde de film zelf in twee jaar tijd in de avonduren. Daarna ging het snel. Nu kreeg een lovende recensie in Variety en was te zien op festivals. Met LAND, ontwikkeld op het Binger Scriptlab in samenwerking met een Marokkaanse scenarioschrijver, werd hij toegelaten tot het prestigieuze Sundance Lab voor jonge filmmakers.

VERKOOP OP FILMFESTIVALS

Na de pauze legt Claudia Landsberger, directeur van Holland Film, uit wat zij doet om de Nederlandse film naar het buitenland te brengen: positionering op festivals, matches maken met een agent, distributeurs informeren en internationale pers bewerken. Ook zij erkent dat Nederlandse films moeilijk de grens over gaan. Dit geldt ook voor commerciële films zoals ALLES IS LIEFDE. Dit soort films wordt ook in andere landen gemaakt, dus waarom zouden ze de Nederlandse versie willen zien? Bijkomend probleem is dat films als ANTONIA en ZWARTBOEK vaak niet als Nederlandse films worden gezien. Nederland, is dat niet de hoofdstad van Denemarken? Ook CALIMUCHO, KAN DOOR HUID HEEN, HET ZUSJE VAN KATIA en WINDERSTILTE, alle vertoond op kleine arthouse festivals in Berlijn, werden niet herkend als Nederlands. De verkoop van festivalfilms, zoals die dan genoemd worden, is ronduit slecht. Geen distributeur durft het risico te nemen. Net als de vorige sprekers stelt Landsberger de vraag of het nou zo nodig is om de hele tijd maar Nederlandse films in het buitenland te willen brengen.

Buitenlanders vinden Nederlandse scripts vaak onvoldoende kwaliteit hebben, merkt Landsberger op. De verhalen missen meer dan eens een kwalitatieve uitwerking, creativiteit en vooral urgentie. Wie over de grens wil gaan moet dus meer dan gemiddeld iets bijzonders vertellen en dat op een stilistisch bijzondere manier doen. Een buitenlandse co-producent is belangrijk, ook voor scenarioschrijvers. En zonder Europudding te schrijven zouden scenarioschrijvers meer internationale verhalen kunnen ontwikkelen over niet-Nederlandse karakters.  tot slot vraagt Landsberger zich af of schrijvers zelf bezig zijn zich te promoten op buitenlandse schrijversfestivals. Holland Film kan daarbij ondersteuning bieden.

DUITSE FILMERS

De volgende spreker is Willem Capteyn met een idee dat de moeite van het proberen waard is. Als maker kamp je met dvd’s die niet ondertiteld zijn. Als je je telefilm, singleplay of serie wil laten zien aan een buitenlandse producent houdt het dan meteen al op. Reden waarom de stichting AVEX is opgericht door de VSenV en Lira om vanuit deze ‘subsidiepot’ de mogelijkheid te bieden dvd’s te laten onder titelen voor het informele circuit.

Op het scherm verschijnt regisseur Ben Verbong in een vooraf opgenomen interview. In Duitsland, waar Verbong woont, worden 180 films per jaar gemaakt tegenover 20 tot 30 films in Nederland. Daarnaast worden voor televisie nog eens 400 tot 500 producties gemaakt.

Alle Bundesländer hebben hun eigen omroep en eigen subsidiepot. Regionale producties worden allereerst uitgezonden op ARD, dat in feite een raam is voor de regionale omroep. Stel dat je een Engelstalige film wil maken, dan moet je niet in Nederland zijn maar in Duitsland. Je stapt ermee naar een omroep en met een producent erbij uit het betreffende Bundesland kun je vervolgens subsidie aanvragen. Boekverfilmingen doen het goed. Maarten ’t Hart is bijvoorbeeld razend populair in Duitsland. Als je een goed boek hebt en actualiteit dan heb je zo televisie aan boord, stelt Verbong optimistisch.

Een misser vindt Verbong dat de samenwerking tussen Nederland en Nordrein Westfalen is opgezegd. Nordrein Westfalen stopte een miljoen in Nederlandse producties en omgekeerd betaalde Nederland 180.000 voor Duitse films. Het filmfonds moet begrijpen dat je ook wat terug moet geven als je iets krijgt, zegt Verbong. Volgens Verbong houdt de horizon van Nederlandse film op bij de Utrechtse brug. De fout is dat veel mensen een script schrijven. Maar wat je moet hebben is een thema dat zo groot is dat het internationaal is. Naast alle nadelen ziet Verbong ook een voordeel van Nederland: de ironie. Een film als SHOUF SHOUF HABIBI met grappen over de multiculturele samenleving ligt in Duitsland vanwege het oorlogsverleden gevoelig.

ZILVEREN KRULSTAARTEN

Dan is het tijd voor de uitreiking van de jaarlijkse Zilveren Krulstaart voor het beste televisiescenario van het seizoen. Op de derde plaats: Maartje Pompe van Meerdervoort voor DEN HELDER. Op de tweede plaats: Frank Houtappels met ’T VRIJE SCHAEP. Op de eerste plaats: ook Frank Houtappels maar dan voor GOOISCHE VROUWEN. Hij is niet aanwezig om de prijs in ontvangst te nemen, hij zit namelijk thuis te schrijven. Wat doen al die schrijvers daar?, roept hij door de telefoon. Ze moeten werken!

De Gouden Krulstaart voor Bijzondere Verdiensten, die ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan van het Netwerk Scenarioschrijvers in het leven is geroepen, wordt door Doreen Bonekamp uitgereikt aan Kees Holierhoek, voorzitter van Stichting Lira ‘omdat al jouw inspiratie het schrijvers mogelijk maakt hun beroep inhoud en betekenis te geven’.

De dag wordt afgesloten met de scenariohit Writersblock door Kasper Tarenskeen en band. Lost in translation and I don’t know what to say anymore, klinkt het bluesy. Het is tijd voor een borrel.